Leuk om te vermelden dat het hier om het eerste tekstboekje van Lennaert en Boudewijn gaat, uitgegeven bij De Bezige Bij, met omslagontwerp en tekeningen van Boudewijns broer Roland. De 'vignetten' (illustraties) staan bij de liedteksten van:

 

Elegie prénatale

Referein voor...

De Noordzee

Ken je dat land?

Beneden alle peil

 

verder is de volgende anekdote van Lennaert Nijgh de moeite van het vermelden waard:

 

Alle tekstschrijvers hebben een minderwaardigheidscomplex. Nu is dat met schrijvers van boeken ook het geval, maar zij smaken nog de voldoening hun pennevruchten rechtstreeks aan het publiek te kunnen presenteren, terwijl tekstschrijvers zijn aangewezen op een intermediair, in vakkringen aangeduid als de 'artiest'. In dezelfde vakkringen heet een tekstschrijver 'auteur', wat iets geheel anders is; met andere woorden: een auteur is géén artiest. Dank u.
Het publiek begrijpt ook helemaal niet wat de functie van een tekstschrijver is, en juicht de artiest toe; hoogstens heeft men het idee dat de tekstschrijver er 'ergens' nog wel iets mee te maken heeft, gelijk men vroeger op middelbare scholen tijdens de biologieles de rol van de vader ten opzichte van de geboorte de mist inschoof. Er zijn tekstschrijvers geweest, die, in arren moede, zelf hun werk gingen uitvoeren, in de hoop dat het publiek dan eindelijk eens een indruk zou krijgen van een goede tekstschrijver, maar in de regel kreeg het publiek dan uitsluitend een indruk van een slechte zanger. Dit verklaart, waarom tekstschrijvers enerzijds het gevoel hebben dat men ze geweldig te kort doet, en anderzijds er bijzonder op gesteld zijn dat hun werk wordt uitgevoerd door een goede artiest, hetgeen een zonderlinge haat-liefde in de hand werkt. Hiermee is ook de samenwerking tussen Boudewijn en mij wel aardig getekend, geloof ik. Voor het publiek is het Boudewijn de Groot, die zijn liedjes zingt, voor meer ingewijden zijn we een duo: iemand heeft ons eens de Van Gend & Loos van het Nederlandse chanson genoemd. Ik ben Loos. Waarom weet ik niet, maar ik ben Loos, dat staat vast.
Er wordt ons dikwijls gevraagd hoe het ontstaan van een liedje in z'n werk gaat. Wel, het liedje ontstaat met de inspiratie, de idee, die in de regel erg leuk is. De tekst, die dan geschreven wordt, heeft in negen van de tien gevallen niets meer met de idee uit te staan en is ook half zo leuk niet. Is de tekst eenmaal gereed, dan stap ik er mee naar Boudewijn, die meestal op bed troont, met de ene hand gitaar spelend en met de andere hand trachtend het tweejarige temperament van zoon Marcel in bedwang te houden. Er ontwikkelt zich dan ongeveer de volgende dialoog:
Ik: Dag Bo. (naampje van Boudewijn voor intiem gebruik
Bo: Dag To. (naampje van mij, van 'Tobias', idiote gewoonte van Bo)
Ik: Ik heb een nieuwe tekst, Bo. Een nieuw lied.
Bo: Hggn... (trekt aan zijn neus, krabt, hoest, snuift, neemt thee en koek tot zich, schraapt de keel en staart uit raam)
Ik: Hier is het. Lees maar. 't Is een soort van liefdeslied, maar 't is ook wel komiek. Ik dacht er een niet te zwaar muziekje bij, stukje driekwartsmaat desnoods, maar niet te zwaar.
Bo: (staart uit raam.)
Anneke komt binnen en spreekt Marcel toe.
Bo staart uit raam.
Ik: 't Gaat over een verhouding tussen een man en een vrouw, en die vrouw...
Bo: Welke vrouw?
Ik: Nou, die vrouw in dat liedje. Stilte. Bo staart uit raam.
Bo: Welk liedje?
Boudewijn neemt alsdan de tekst en houdt die enige tijd voor zijn gezicht. Men zou denken dat hij las. Maar zo eenvoudig gaat het allemaal niet in deze wereld. Terwijl de tekstschrijver als een aanstaande vader in toenemende wanhoop afwacht, verloopt er een kwartier, toch wel voldoende om 'Beneden alle peil' naar waarde te schatten. Dan kijkt Boudewijn de Groot, Neêrlands protestzanger no 1, op en spreekt, zeggende: 'Anneke, heb je het ziekenfonds al betaald?' Anneke zegt, dat ze dat nog niet gedaan heeft, maar het morgen hoopt te doen en het anders overmorgen zeer zeker zal doen, Marcel zegt dat het heden pipi-pu is en de tekstschrijver wil het raam uit. Driehoog.
Heeft Boudewijn de tekst tot zich genomen, dan velt hij zijn oordeel. Of hij zegt: 'Ja, zozo. Zeer zeker.', of: 'dit zing ik niet.' Is het laatste het geval, dan ontspint zich een verhit debat tussen de tekstschrijver en de zanger, meestal in deze geest:
Bo: Dit kan niet, To. Zoiets doet een vrouw niet.
Ik: Maar Joke deed het bij mij wel.
Bo: Joke is een trut.
Ik: Jij hebt geen mensenkennis. Jij bent getrouwd. Jij maakt nooit iets mee in dat nette huwelijkje van je.
Bo: Joke is een trut.
Ik: En bij Simenon dan? Bij Siinenon kan dat wel, dat zijn op zich zelf staande karakters, die handelen nu eenmaal zo, vooral bij Simenon.
Bo: Simenon is ook een trut.
Op de tenen weggaan is in zo'n geval het beste. Even later staat Boudewijn op de planken en wordt toegejuicht, terwijl de geestelijke vader van het repertoire in de kroeg zit en zijn wonden likt.
Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat Boudewijn niet bepaald spraakzaam is. Hij zwijgt veel, vooral over dingen die hij helemaal niet zou mogen verzwijgen, zodat ik het meeste over hem moet vernemen uit de krant of van zijn vrouw. Hij kan ook geweldig tegen de keer in gaan en koestert een vrij groot assortiment vooroordelen van de meest wonderbaarlijke aard, welke hij als schoothondjes aan de borst draagt en die hem met geen geweld uit zijn hoofd te praten zijn. Vrouwen vergelijkt hij bijvoorbeeld onmiddellijk met zijn eigen vrouw. Aangezien Anneke een uniek wezen is, overleeft geen vrouw dit en komt Boudewijn onveranderlijk tot de slotsom: 'trut'. Vooral mijn muzen moeten het nogal eens ontgelden - dat ongetrouwde mensen ook zoiets als gevoel hebben ontgaat hem geheel, en in plaats van in mijn verzen tedere klachten te zien over de Grote Liefde, distilleert hij eruit dat het met Joke of Loesje of Lenneke of Bianca weer niets is, hetgeen neer komt op een met 'trut' doorspekte en slecht verstaanbare tirade over de vrouwen, Anneke natuurlijk uitgezonderd.
Nu is het gezin De Groot, vooral als je het op een zonnige dag in Amsterdam tegenkomt, inderdaad iets unieks. De broodmagere, in een rood spijkerpak gestoken Boudewijn met zijn lange haar en zijn harlekijnsgezichtje, de gezellige gestalte van Anneke, van top tot teen in blitz-bloemetjespak, en daartussen de weliswaar geringe, maar toch reeds onmiskenbaar langharige Marcel: drie uit Winnie-the-Pooh weggelopen diertjes, die blij en tevreden met elkaar door het leven schuiven. Vanuit dit gezichtspunt is het misschien begrijpelijk, dat Boudewijn af en toe wel eens moeite heeft om al des tekstschrijvers poëtische narigheid te bevatten. Toch is er tussen ons een zeer hecht contact, stammende uit overoude tijden, van middelbare scholen en dergelijke, kortom, uit de tijd van de 'Vrienden van vroeger'. Al verschillen onze huidige levenswijzen nog zo veel, Boudewijn volgde mij bij het maken van'Voor de overlevenden'op devoet en zoals ik probeer tijdens het schrijven in zijn huid te kruipen,zo probeert hij bij het componeren en zingen in de mijne te kruipen@n dat is het werkelijke geheim van onze samenwerking.Ook al zouden later onze wegen uit elkaar gaan, er blijven voor ons beiden onvergetelijke herinneringen verbonden aan deze lente 1966, aan de warme dagen en nachten op de 'Bereklauw', het paradijselijke huis van de familie S. te A., waar 'Voor de Overlevenden' werd geschreven. Vanaf deze plaats dan ook hartelijk dank aan onze vriend J.W.S., mede namens Boudewijn en ook - mede namens u, ons hooggeëerd publiek.

Heemstede, augustus 1966